Nieuwe burgerschapsopdracht: iedere leerkracht toegerust om kinderen te laten uitgroeien tot mooie mensen

23-05-2019

“Het mooiste dat je een kind mee kunt geven, zijn wortels en vleugels.” Aan dit Australische gezegde ontleende ik 2004 de titel van mijn eerste boek over levensvragen van kinderen: Wortels en vleugels. Kinderen onderzoeken bestaansvragen.

Kinderfilosofie-expert Nanda van Bodegraven en ik zochten naar manieren en bronnen voor opvoeders om de wortels en de vleugels van kinderen te laten groeien. Onze overtuiging is dat als kinderen stevig geworteld zijn, ze hun vleugels kunnen laten groeien en uitslaan.

Anno 2019 is deze opdracht van ouders en leerkrachten – het meegeven van wortels en vleugels – belangrijker dan ooit. Immers, kinderen worden dag in dag uit belaagd met beelden, verhalen, informatie en meningen waartoe zij zich moeten verhouden. Zij moeten voortdurend betekenis geven aan wat erop hen afkomt. In de maalstroom van informatie en prikkels worden zij 24 uur per dag uitgedaagd om ‘wijs te worden’ uit wat er om hen heen gebeurt. En dat ‘wijs worden’ gebeurt natuurlijk ook op school. Waar doen we als onderwijs wijs aan? Hoe zorgen we dat kinderen op onze scholen opbloeien tot mooie mensen?

Op de tekentafel van curriculum.nu en op het nachtkastje van de minister liggen de nieuwe kaders en wetten voor het vak burgerschapsvorming. Dat onderwijs en samenleving onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt je in één oogopslag duidelijk als je je even verdiept in alle stof die dat doet opwaaien. Bijna zou je ontmoedigd raken van alle (politieke) haken en ogen die er aan dit vak lijken te zitten. Het ontneemt je dan het zicht op de opdracht waar we als onderwijs voor staan: kinderen laten uitgroeien tot wijze mensen, die samen dat mooie en ingewikkelde landje van ons de moeite waard maken om in te leven.

Het handboek voor de pabo Verhalen vertellen en vragen stellen gaat niet over burgerschapsonderwijs, maar het gaat wel over een onmisbaar onderdeel van de burgerschapsvorming van kinderen: identiteitsontwikkeling. Wie ben ik? Wat vind ik belangrijk? Waar sta ik voor? Waar ga ik voor? Wat zijn mijn wortels; wat krijg ik mee van thuis, en wat heb ik daaraan? En hoe kan ik mijn eigen vleugels uitslaan, en nieuwe horizonnen ontdekken?

Het stellen en onderzoeken van deze vragen horen thuis in goed onderwijs. Net als het vertellen van je eigen verhaal hierover. Kinderen mogen op school hun eigen identiteit ontwikkelen. Tussen hun vierde en twaalfde jaar maken ze als het goed is een ontwikkeling door van kleuters die kopietjes zijn van hun ouders, naar weldenkende, mondige, kritische pubers die weten dat er in de wereld meer te koop is dan wat ze thuis voorgeschoteld krijgen. Die hun eígen kijk op het leven aan het ontdekken zijn, en die snappen dat die kijk steeds weer kan veranderen. Ze hebben op school ervaren hoe het is om voor je eigen visie uit te komen, die te spiegelen aan andere leerlingen, bij te stellen aan de hand van nieuwe bronnen, en zichzelf en elkaar steeds opnieuw te bevragen.

Als ze een verhaal uit de Bijbel horen, een bezoek brengen aan de moskee, nieuws horen over onrecht of wanneer een klasgenoot in de kring vertelt over haar dode konijn, oordelen ze niet meteen, maar gaan zich dingen afvragen. Want ze weten dat overal een verhaal achter zit, en dat iedereen door zijn eigen bril naar dit soort zaken kijkt. De leerkracht is namelijk lastige onderwerpen of religieuze verhalen niet uit de weg gegaan uit onzekerheid of handelingsverlegenheid. Maar ze heeft haar verantwoordelijkheid genomen en met vallen en opstaan met kinderen geleerd hoe je dat doet: jezelf zijn, de ander in zijn waarde laten en samen zoeken naar manieren om het met behoud van ieders eigenheid goed te hebben met elkaar. En of die leerkracht dat nou doet op een openbare school of in het bijzonder onderwijs: dat doet er niet toe, want deze opdracht is er voor álle scholen.

Wat betekent dit voor (aanstormende) leerkrachten basisonderwijs? Verhalen vertellen en vragen stellen gaat ervan uit dat de begeleiding van identiteitsontwikkeling van leerlingen, van hun eigen persoonlijke ‘levensbeschouwing’, een kerntaak is van álle leerkrachten. Eigen identiteitsontwikkeling van kinderen ligt ten grondslag aan het betekenis geven aan diversiteit in de samenleving, levensbeschouwingen en waarden en normen (kerndoel 37 en 38). Pas als kinderen zélf ontdekt hebben wat ze belangrijk vinden, kunnen ze intrinsiek gemotiveerd zijn voor hun bijdrage aan de wereld om hen heen (burgerschapsvorming).

De begeleiding van identiteitsontwikkeling van kinderen heeft een didactische, maar zeker ook een pedagogische component. Kinderen ontwikkelen hun eigen kijk op de wereld immers door zich te spiegelen aan belangrijke voorbeeldfiguren. Of je het nu wilt of niet: een leerkracht is door voorbeeldgedrag en pedagogisch handelen nogal bepalend voor de manier waarop ze die kijk ontwikkelen. Hoe maakt de leerkracht haar eigen (levensbeschouwelijke) identiteit zichtbaar in de klas? Op welke toon wordt er gepraat over maatschappelijke problemen? Hoe welkom voelen kinderen met een andere religieuze of culturele achtergrond dan de meerderheid van de groep zich?

Daarmee is ook duidelijk dat de aandacht voor vakken en onderwerpen als levensbeschouwing, geestelijke stromingen, waarden en normen en burgerschapsvorming niet alleen gaat over lessen of methoden. Het boek reikt weliswaar een didactiek aan om op dit terrein les te geven, maar minstens zo belangrijk is het dat leerkrachten ervaren dat identiteitsontwikkeling op veel meer manieren dan alleen in afgebakende en van tevoren bedachte lessen plaatsvindt. Het boek gaat niet alleen over lesgeven, maar biedt ook handreikingen voor de pedagogische vaardigheden waar de identiteitsontwikkeling van kinderen om vraagt. Ten slotte nodigt het boek aankomende leerkrachten – meestal nog nauwelijks bewust van hun eigen levensbeschouwelijke wortels – uit om hun éígen (levensbeschouwelijke) identiteit onder de loep te nemen en samen met hun medestudenten te oefenen in dialoog over wat er voor hen toe doet. Een vaardigheid die in het kader van de burgerschapsopdracht van iedere school niet mag ontbreken in de rugzak van de leraar.

Door Drs. Tamar Kopmels

Drs. Tamar Kopmels (1973) is werkzaam als expert op het terrein van levensbeschouwelijke educatie in het basisonderwijs. Ze studeerde theologie en filosofie en is sinds 1998 werkzaam op het terrein van nascholing van professionals op het terrein van de ontwikkeling van levensbeschouwing en identiteit bij kinderen. Zo werkte ze o.a. pabodocent en als (hoofd)redacteur van diverse lesmethoden op het gebied van levensbeschouwelijk onderwijs. Sinds 2010 werkt ze als zelfstandig docent nascholing en identiteitsbegeleider voor leerkrachten in het basisonderwijs. Ze adviseert basisschoolteams en -besturen op het gebied van levensbeschouwelijk onderwijs en identiteit, bijvoorbeeld in fusietrajecten. Tamar is werkzaam als senior adviseur identiteit bij VOS/ABB (belangenorganisatie Openbaar onderwijs) en werkt vanuit haar eigen bureau levensbeschouwelijke-educatie.nl.