Column Aleid Truijens - Techniek zonder stank of klei

30-01-2019

Het mooiste, schrijnendste verhaal over een mislukte proef is ‘De elektriseermachine van Wimhurst’ van W.F. Hermans. Richard is een jaar of tien. Hij is superslim en wordt gepest door zijn klasgenoten. Om zich te wreken besluit hij uitvinder te worden.

Op school staat een elektriseermachine. Hij is kapot, maar Richard krijgt hem aan de praat. Hij mag een demonstratie houden voor de klas. Dat wordt zijn uur van triomf! Alles gaat geweldig. Maar dan verpest de leraar de proef, en de machine, door er een gloeilamp op aan te sluiten. De klas komt niet meer bij van het lachen. Richard voelt zich alsof hij ‘een glas limonade met een schep zout’ heeft gedronken. 

Dit verhaal vergrootte mijn liefde voor de literatuur, en voor slimme, dappere buitenbeentjes, maar niet mijn liefde voor techniek. Helaas. Daar werd trouwens op mijn basisschool weinig aan gedaan, of het moest figuurzagen voor jongens zijn. Ook op het gymnasium wisten de proefjes, die leidden tot ontploffingen, of de klas in een lucht van rotte eieren zetten, mij niet te boeien. Wat een smerigheid. Van de clou van die proeven is mij niets bijgebleven. Meisjes deden alfa. 

Dat is niet meer zo, gelukkig. Het had mij best aardig geleken om architect te worden, of grafisch ontwerper. Oké, dat zijn ‘creatieve’ bètaberoepen. Die trekken de laatste jaren in het hbo en aan de universiteiten meer vrouwelijke studenten, net als geneeskunde. Ook doen meisjes vaker een Natuur en Techniek-profiel op havo en vwo. In 2007 koos 2 procent van de havo-meisjes en 6 procent van de vwo-meisjes hiervoor, in 2018 was dit 10 en 28 procent. Maar in het mbo blijft het moeilijk om meisjes te inspireren om automonteur te worden, of elektricien, of in de bouw te werken. Foto’s van stoere meiden met laarzen in de klei, een helm olijk scheef op hun hoofd, vind ik aandoenlijk, maar veel meisjes gruwen ervan.

Liefde voor natuur en techniek begint bij jonge kinderen, en daarom is het goed dat de basschool er aandacht voor heeft. Maar neem dan meteen ook de meisjes mee. Die zijn, vrees ik, niet vanzelf geïnteresseerd in leven op Mars, in de elektriciteit van een ballon, in zelf bliksem maken, in de Video Assistent Referee bij voetbal of de raceauto van Max Verstappen. Dat zijn stomme, nerdy onderwerpen. 
Techniek is bij meisjes vaker middel, geen doel. Zo koos mijn dochter een bètaprofiel omdat ze dokter wilde worden. Niet vanwege de medische technieken, maar omdat ze mensen wilde helpen. Dat zat er al vroeg in. Ze wilde als achtjarige de droogte in Afrika verhelpen door er ‘een heel groot blok ijs’ naar toe te laten vliegen, en daar te ontdooien. Dan konden de kindertjes weer drinken. Verder hield ze vooral van meisjeslego, lila paardjes met lang, kambaar haar en taarten bakken.

Maar speelgoed ontwerpen, de chemie van een taart verbeteren, het veredelen van paardenrassen, dat is óók techniek. Als de proefjes op school dáár eens wat vaker over zouden gaan, dan krijg je vast meer meisjes mee. Pas als school over het echte leven gaat, jouw leven, wordt het leuk. Vinden wij meisjes. 

 

‘Onderzoekend en ontwerpend de wereld ontdekken’, door Tycho Malmberg