Column Aleid Truijens: Rekenspecialisten

01-04-2019

Hoera, ik mag naar de pabo! Geslaagd! Nou ja, ik maakte de oefentoets voldoende. Het was kantje boord, ik had flink wat fouten. Vermenigvuldigen ging nog wel, want die tafels zitten erin geramd, maar met breuken ging ik lelijk de mist in.

Na jaren van kritiek op het lage niveau van kennis en vaardigheden op de pabo – ‘Ze kunnen niet meer spellen’; ‘De beste achtstegroepers kunnen beter rekenen’ – klinkt nu andere kritiek. De pabo zou een onneembare veste zijn geworden, zoveel instap- en kennisbases-toetsen moet je er doen om een diploma te bemachtigen. Schoolbestuurders zijn niet blij met die afschrikwekkende toetsen en schermen met het lerarentekort. Al neemt het aantal inschrijvingen nu, na een jarenlange dip, weer toe, een hondsmoeilijke pabo jaagt potentiële studenten weg.

Vooral mbo’ers die willen doorstuderen. Omdat onder hen veel allochtone studenten zijn, worden pabo’s steeds ‘witter’. Het niveau is voor veel mbo-afgestudeerden te hoog, maar ook de cultuur is er anders dan op de roc’s; ze voelen zich niet thuis op de pabo. Dat is jammer, want in steden met een gemengde bevolking zijn vertrouwde rolmodellen noodzakelijk, en is het van belang dat de leerkrachten thuis zijn in het milieu van de kinderen.

En dan zijn er de mensen die betogen dat het vereiste kennisniveau is ‘doorgeslagen’, en dat dat helemaal niet nodig is. Liefde voor kinderen, sociale en pedagogische vaardigheden zouden veel belangrijker zijn. Al dat talent wordt nu na een paar mislukte pogingen voor de rekentoets in het eerste jaar, de deur gewezen. Van die ‘toetsgekte’ profiteren alleen de commerciële bijlesbureautjes, die studenten met trucjes klaarstomen voor de toets.

Ik begrijp de argumenten, maar vind ze toch niet overtuigend. Ja, overal waar geselecteerd wordt, voor havo/vwo, voor studies, voor rollen, voor banen, duiken trainingsbureaus op. Waar verlangen en ambitie zijn, is een markt. Irritant en onvermijdelijk.

Ja, het is verdrietig als je met heel je hart hebt gekozen voor dit vak en dan struikelt over de opgelegde hordes. Maar als toename van het aantal allochtone leerkrachten gepaard gaat met kwaliteitsverlies is dat vreselijk voor die leerkrachten zelf. Het getuigt van minachting als iemand voor jou de lat lager legt.

Het belangrijkste zijn kinderen op de basisschool, nu en later. Bij hen moet een basis worden gelegd voor een heel mensenleven. Dat lukt alleen als hun leerkracht moeiteloos de stof beheerst, en ook de slimste leerlingen veel kan leren.

Dat leraren van kinderen houden, sociaal en empathisch zijn, is een voorwaarde, maar het is niet genoeg. Internationaal gezien kachelen we langzaam achteruit met rekenen – kijk naar de vergelijkende PISA-toetsen – we zijn gezakt van de topgroep naar de middenmoot. Dat heeft alles te maken met het niveau van de leerkracht. Gelukkig stijgt het niveau weer, dankzij de akelige toetsten.

Niemand is overal even goed in. Zou het een idee zijn om van rekenen een specialisme te maken, net als van taal, muziek, tekenen en gymnastiek? Een extra aantekening, in het vak waarin je uitblinkt en dat je graag wilt overdragen? Niet om kinderen voortaan elk uur een andere juf of meester te geven, maar de ‘specialisten’ zouden wekelijks enkele uren van klas kunnen ruilen.

Een andere mogelijkheid is het instellen van hoofdrichtingen op de pabo, bijvoorbeeld voor kinderen van 4 tot 8, en van 8 tot 12. Studenten kunnen extra goed worden in de leerstof en didactiek voor die leeftijdsgroep. Misschien maken zulke keuzemogelijkheden de pabo juist aantrekkelijker. Helemaal als er tegenover die hoge eisen ook een behoorlijk salaris komt te staan.

 

Lees ook: